Naar de inhoud
Gratis aan de slag
← Alle artikelen

Bokstactiek – je tegenstander lezen, ook als hij southpaw is

12 min. leestijd
Bokstactiek – je tegenstander lezen, ook als hij southpaw is
In dit artikel

Wie een paar seizoenen wedstrijden bokst, komt dezelfde namen steeds weer tegen – op clubwedstrijden, op een regionaal kampioenschap, op het NK. En je sparringpartner van dinsdag staat donderdag weer tegenover je. Na afloop weet je meestal nog dat het een lastige partij was. Maar waarom? Stond hij links of rechts voor? Wat deed hij met zijn jab? Waar ging hij heen als je druk zette, en wat veranderde er in de derde ronde?

Een tegenstander lezen begint bij die vragen. Kijk naar zijn stand, zijn dekking, de afstand waarop hij wil boksen, zijn favoriete stoten en counters, zijn bewegingen door de ring en wat er van ronde tot ronde verandert. Schrijf daarna een paar regels op in je tegenstandersboek, zodat je voor de revanche of de volgende sparringsessie een plan hebt in plaats van een indruk.

Begin bovenaan met de stand: orthodox of southpaw (rechts voor). Wisselt hij tijdens de partij van stand, noteer dan wanneer dat gebeurde – na een stoot die aankwam, met zijn rug tegen de touwen, of pas in de laatste ronde. Zet je eigen stand ernaast, want de moeilijkheid zit in de combinatie: orthodox tegen southpaw heet in het Engels een open stance; hebben jullie dezelfde stand, dan is het een closed stance.

In een open stance willen jullie allebei de voorste voet buiten die van de ander zetten, en zitten de voorste handen elkaar steeds in de weg. Schrijf daarom op wie zijn voorste voet buiten die van de ander kreeg en wat daarop volgde, en waar de voorste handen elkaar raakten. Plak na één partij geen vast etiket op hem. Bokst hij een jaar later ineens orthodox, dan noteer je dat erbij.

Dat die combinatie bovenaan hoort, heeft ook met cijfers te maken. Thomas Richardson en R. Tucker Gilman van de Universiteit van Manchester bekeken de gegevens van ruim 13.800 profboksers en MMA-vechters; hun artikel verscheen in 2019 in Scientific Reports. Bij de boksers gebruikten ze de stand uit de BoxRec-database als aanwijzing voor linkshandigheid. Linkshandige vechters bleken sterk oververtegenwoordigd en waren gemiddeld succesvoller. Bij mannelijke boksers gold dat voor het aandeel gewonnen partijen en voor de BoxRec-waardering, bij vrouwelijke boksers alleen voor de waardering. Het gaat om profs, niet om amateurs, en om databasegegevens, niet om een experiment. De auteurs wijzen er zelf op dat je aan de stand niet altijd kunt zien of iemand links- of rechtshandig is. Een gemiddelde over duizenden vechters zegt bovendien niets over de southpaw die jij volgende maand treft, en ook niet hoe je tegen hem moet boksen. Wel is het een reden om de stand, en je eigen resultaten tegen southpaws en orthodoxe boksers, als eerste op te schrijven.

Welke dekking heeft hij, en welke afstand zoekt hij?

Beschrijf de dekking zoals je die zag – een hoge dekking, een Philly shell, peekaboo, gekruiste armen of een lage dekking. Hoe verdedigt hij? Weert hij stoten af, slipt hij, duikt hij weg, blokt hij, stapt hij terug of houdt hij vast? En wanneer gaat die dekking open – bij zijn eigen aanval, na een stootwisseling, of als hij terugstapt?

Kijk daarna naar de afstand. Wil hij op lange afstand boksen, op halve afstand, of er juist dicht op zitten? Wat doet hij met zijn jab? Scoort hij ermee, meet hij de afstand, gebruikt hij hem als schijnstoot of tast hij alleen wat af? Gooit hij hem dubbel? Neemt hij zelf het initiatief, of wacht hij tot jij iets doet, zodat hij kan counteren?

Dat de afstand en de directe stoten aandacht verdienen, blijkt uit een studie van Philip Davis van Combat Sports Performance in Essex. Met collega’s analyseerde hij 50 partijen van een wereldkampioenschap met 60 mannelijke boksers, gebokst na de regelwijzigingen van 2013 in het amateurboksen; het artikel verscheen in 2018 in het Journal of Strength and Conditioning Research. De winnaars gooiden in de eerste ronde meer directe stoten, en ook meer directe stoten met de voorste hand. In de derde ronde kwamen er bij hen meer stoten aan, en in de tweede en derde ronde misten ze minder. De auteurs beschrijven het amateurboksen op topniveau na die regelwijzigingen als boksen op lange afstand met directe stoten, meer verdediging en meer beweging door de ring, anders dan vóór 2013, toen hoekstoten op korte afstand het beeld bepaalden. Het is een observatiestudie bij elitemannen op één wereldkampioenschap, en die beschrijving van een tactische verschuiving is de interpretatie van de auteurs zelf; op clubniveau is het niet getoetst. Het praktische gevolg is bescheiden. Noteer op welke afstand er gebokst werd, wat hij met de jab deed en wat met de cross (de directe met de achterste hand), en kijk of zijn trefzekerheid of zijn aantal stoten per ronde veranderde.

Wat gooit hij, en wat doet hij als hij mist?

Noteer zijn favoriete stoten en combinaties, en of hij vooral naar het hoofd of naar het lichaam gaat. Interessanter is wat erna komt. Wat doet hij als hij mist? Wat doet hij nadat hij zelf geraakt is? Heeft hij een counter op jouw jab of op je rechterhand? En welke van jouw stoten kwamen wél aan?

Kijk daarbij niet alleen naar hoeveel iemand gooide. Emily Dunn van de Edith Cowan University en het Australian Institute of Sport analyseerde met collega’s videobeelden van 26 eliteboksers in de klassen tot 64, 69 en 75 kilogram op de Australische kampioenschappen van 2015. Het ging om partijen van drie ronden van drie minuten, gejureerd volgens het tienpuntensysteem (‘Ten Point Must’); de studie verscheen in 2017 in PLOS ONE. Bij de winnaars kwam een groter deel van hun stoten aan dan bij de verliezers, 33 tegen 23 procent, en ze sloegen minder vaak in de lucht, 17 tegen 27 procent. Het totale aantal stoten, de verdediging en de tijd dat ze stoten uitwisselden, verschilden nauwelijks. Met de trefzekerheid en de manier van bewegen samen konden de onderzoekers 85 procent van de uitslagen juist indelen. Van de eerste naar de tweede ronde zaten de boksers langer in de clinch, hadden ze hun dekking langer omlaag en veerden ze minder op hun voorvoeten. Volgens de onderzoekers verdeelden de boksers zo hun krachten; op de uitslag had het geen invloed. Het gaat om 26 elitemannen op één nationaal kampioenschap, in een observatiestudie. De uitkomsten zeggen iets over hoe de juryleden op dat toernooi punten toekenden, niet over elke partij, en over notities gaat de studie niet. Wat je eruit kunt meenemen, is een gevolgtrekking van ons, niet van de onderzoekers. Schrijf op wat aankwam en wat miste, en hoe zijn dekking, het vasthouden en zijn bewegingen per ronde veranderden. Beschrijf daarbij wat hij deed, bijvoorbeeld ‘handen omlaag na een stootwisseling’ of ‘hield vast als ik dichtbij kwam’. ‘Hij was moe’ is geen waarneming, maar een verklaring die je er zelf bij bedenkt.

Waar gaat hij heen als je druk zet?

Zet hij zelf druk, of beweegt hij liever? Hoe reageert hij als jij naar voren komt? Draait hij naar links of naar rechts weg, gaat hij recht achteruit, of blijft hij staan en countert hij? Kijk ook naar de touwen en de hoeken van de ring. Waar komt hij vast te zitten, en hoe komt hij daar weer weg? En wanneer zoekt hij de clinch?

Zulke bewegingen zijn het makkelijkst te vergeten en het nuttigst om op te schrijven. Als iemand elke keer dezelfde kant op wegdraait, kun je de volgende keer proberen de ring aan die kant af te snijden. Maar dan moet je wel weten welke kant het was.

Wat veranderde er van ronde tot ronde?

Loop de ronden na. Werd het aantal stoten minder, of juist meer? Kwam er minder aan? Zakte de dekking, werd er vaker vastgehouden, of bewoog hij anders? En wat zei je trainer in de rustpauze, als je dat nog weet? Beschrijf ook hier handelingen en geen gemoedstoestand. ‘Na de tweede ronde stond hij vaker stil in het midden’ kun je de volgende keer controleren. ‘Hij had geen zin meer’ niet.

Noteer de uitslag zoals die werd omgeroepen – op punten met een unanieme of verdeelde jurybeslissing, of doordat de scheidsrechter de partij stopte. Reconstrueer geen puntenbriefjes en laat artikelnummers en de versie van het wedstrijdreglement weg. Regels en jureringsrichtlijnen veranderen, en je notitie moet over een jaar nog kloppen.

Wat was je eigen aandeel?

Op de pagina hoort ook je eigen boksen. Waar werd je geraakt? Wat deed je steeds opnieuw, ook toen het niet werkte? En wat kwam er één keer wél aan? Sla dat laatste niet over, ook niet als je de indruk hebt dat je kansloos was. Eén stoot die aankwam, is al een tegenvoorbeeld voor die indruk, en zo’n tegenvoorbeeld schrijf je er gewoon bij.

Zet er ook bij waar een notitie vandaan komt – uit je geheugen, van een video, of van wat je trainer zag. Laat een regel leeg als je het niet meer weet, en verzin geen aantallen of percentages. ‘Drie keer’ dat eigenlijk ‘een paar keer’ was, ziet er later uit als een telling. Een patroon uit een paar partijen is een vermoeden dat je kunt toetsen, geen eigenschap van die bokser. Is er een opname, kijk die dan terug voordat je de pagina afmaakt. Uit onderzoek naar vergeten bij sporters volgt geen vaste termijn waarna een partij uit je hoofd is verdwenen. Schrijf het dus op zolang je het verloop nog kunt navertellen.

Wat het onderzoek nog niet meet

Edward Thomson en Kevin Lamb van de Universiteit van Chester analyseerden de partijen van 92 Engelse amateurboksers in elf gewichtsklassen, op regionaal en op nationaal niveau; hun artikel staat in het International Journal of Performance Analysis in Sport van 2016. Het is de enige van de vier studies in dit artikel met boksers op regionaal niveau – het niveau waarop veel lezers zelf boksen. Amateurboksers bleken per minuut ongeveer 25 stoten en 10 verdedigende acties uit te voeren. Op het hogere niveau was dat allebei meer, winnen hing samen met veel aanvallende en weinig verdedigende acties, en de gewichtsklasse had geen eenduidig effect. Het ging om een observatiestudie bij Engelse amateurs. Een samenhang is geen oorzaak, en hoe je een bepaalde stijl verslaat, staat er niet in. Opvallend is wel wat de auteurs aanbevelen voor vervolgonderzoek, namelijk kijken naar de kwaliteit en de ‘stijl’ van de tegenstander. Juist die stijl leg je vast op de pagina van een tegenstander.

Vijf velden voor na de partij

Geen van de vier studies heeft onderzocht of boksers die notities bijhouden betere resultaten halen. Het invulblad hieronder is van ons, en de keuze voor twee tests is een praktische keuze, geen wetenschappelijk vastgesteld aantal.

Context en bron. Toernooi en fase (bijvoorbeeld halve finale), of sparren. Tegenstander, gewichtsklasse, zijn stand en de jouwe. De uitslag zoals die werd omgeroepen. Waar de notitie vandaan komt – geheugen, video of je trainer.

Stand, dekking en afstand. Stand en eventuele wissels, de dekking, de afstand die hij zocht en wat hij met zijn jab deed.

Stoten en beweging in de ring. Favoriete stoten en combinaties, counters, hoofd of lichaam. Waar hij heen ging als je druk zette, wat er gebeurde bij de touwen en in de hoeken, de clinch. Wat er per ronde veranderde.

Je eigen boksen. Waar je geraakt werd, wat je bleef herhalen, wat aankwam.

Volgende tests. Twee aanpassingen, elk met de voorwaarde waaronder je die laat vallen.

Leeg of ‘weet ik niet’ mag. Maak je een schets van de ring of zet je een pin in de app, schrijf er dan bij wat daar gebeurde. Een stip alleen zegt later niets.

Een verzonnen voorbeeld – halve finale tegen een southpaw

Het voorbeeld hieronder is bedacht om de werkwijze te laten zien. Het zijn geen gegevens van een gebruiker, geen echte partij en geen waarnemingen uit onderzoek.

Context: halve finale van het regionale kampioenschap, drie ronden, tegen Jelle. Eén keer eerder met hem gespard, toen onze club bij de zijne op bezoek was. Hij southpaw, ik orthodox – een open stance. Uit mijn hoofd opgeschreven, samen met wat mijn trainer in de rustpauzes zei en een filmpje dat clubgenote Sanne met haar telefoon maakte van de tweede en derde ronde. Niets geteld. Uitslag: verloren op punten, verdeelde jurybeslissing.

Stand, dekking en afstand: hij gebruikte een dubbele jab om de afstand te meten. Als ik in een rechte lijn naar voren stapte, kwam zijn linkse directe met de achterste hand aan.

Stoten en beweging in de ring: als ik druk zette, draaide hij langs de touwen weg naar mijn linkerkant en ontsnapte hij elke keer. Zijn voorste voet kwam daarbij steeds buiten de mijne. In de derde ronde hield hij vast zodra ik dichtbij kwam, en na een stootwisseling kwamen zijn handen omlaag.

Mijn eigen boksen: ik bleef hem in een rechte lijn volgen en liep zo tegen die linkse directe aan. Mijn voorste voet liet ik binnen de zijne terechtkomen. Mijn jab naar het lichaam kwam in de tweede ronde twee keer aan – onraakbaar was hij dus niet.

Test A – de weg naar links afsnijden. Niet meer achter hem aan lopen, maar eerst een stap zetten waarmee ik hem de weg naar mijn linkerkant afsnijd, en pas dan stoten. Met mijn voorste voet vechten om de buitenkant. Laten vallen als hij de andere kant op begint weg te draaien, of als ik bij die stap steeds de linkse directe incasseer.

Test B – eerst naar het lichaam. De jab naar het lichaam blijven gebruiken en naar het hoofd gaan zodra zijn handen na een stootwisseling omlaag komen. Laten vallen als zijn handen deze keer boven blijven, of als zijn linkse directe steeds over mijn jab heen komt.

Lees de twee tests vóór de volgende ontmoeting door met je trainer, oefen ze op de pads en tijdens het sparren onder begeleiding, en werk de pagina daarna bij. Een paar momenten die je je herinnert, zijn aanwijzingen om te controleren, geen kansberekening.

Naar de training en de volgende partij

Lees de pagina vlak voor de volgende partij nog eens en kijk in de eerste ronde of het patroon nog klopt. Is hij van stand gewisseld of van gewichtsklasse veranderd, bokst hij ineens heel anders, of krijg je het zelf niet uitgevoerd zoals gepland? Pas het plan dan aan in plaats van eraan vast te houden.

Lees de pagina ook samen met je trainer. Maak van een patroon één concrete vraag voor de pads of voor het sparren, bijvoorbeeld hoe je de ring afsnijdt tegen iemand die steeds naar links wegdraait. Vraag een sparringpartner om tijdens het sparren, met de trainer erbij, een gewoonte na te doen – rechts voor staan, of steeds naar dezelfde kant wegdraaien. Vergelijk je pagina’s ook onderling. Word je tegen verschillende tegenstanders op dezelfde manier geraakt, dan is dat een vraag over je eigen boksen, niet over die ene tegenstander. Wat onderzoek naar reflectie in de sport laat zien, is een samenhang met prestatieniveau, geen bewijs dat je door op te schrijven meer partijen wint.

In OpponentBook heeft boksen een tekening van de ring, met touwen, een rode en een blauwe hoek en twee neutrale hoeken. Daarop zet je pins waar je maar wilt. Bij elke pin kies je ‘Werkte’, ‘Werkte niet’, ‘Gevaarlijk’ of ‘Neiging’ en schrijf je een notitie. Op de pagina van een tegenstander kun je daarnaast stand (orthodox, southpaw of wisselt van stand), dekking, voorkeursafstand (lange, halve of korte afstand), reikwijdte en gewichtsklasse invullen. Het tegenstandersboek zelf is gratis. Notities die je synchroniseert, staan in de cloudopslag die je zelf koppelt; OpponentBook bewaart geen kopie van het boek in de accountdatabase. Start je zelf een AI-functie, dan gaat de inhoud die daarvoor nodig is via een server van OpponentBook naar een externe AI-aanbieder. Met optionele end-to-end-versleuteling (E2EE) kan je opslagprovider de versleutelde notities niet lezen; foto’s, video’s en de bestandsmetadata die de opslagprovider kan zien, vallen buiten die bescherming. De uitleg over de privacy van je notities beschrijft dat in detail.

Denk vanavond terug aan je laatste partij of sparringsessie. Schrijf op wat je tegenstander met zijn jab deed en waar hij heen ging als je druk zette. Kies daarna twee dingen die je de volgende keer wilt uitproberen.

Verder lezen

Houd je eigen boek bij

OpponentBook is voor altijd gratis, in je eigen opslag.

Gratis aan de slag